januari 2018

Ik had afgesproken met Joanna in het Montgomery metrostation. Vandaar met tram 44 naar het Afrikamuseum in Tervuren.

Een prachtig vergeten beeldhouwwerk staat er naast de vijver tegenover de façade van het museum. Een neger die op een zelfgemaakte gitaar tokkelt. Er staat iets in Arabische letters op de onderkant van het beeld. Het is in slechte staat, de ogen zijn weg, een voet is afgehouwen (nee, het was niet de bedoeling van de kunstenaar).

In een van de museumgangen een fraai, statig omhoogrijzend beeld van de roverhoofdman, Leopold II. Als een Assyrische koning. Ik klop erop, het blijkt gips te zijn. Nee, maar, dat had toch een bronzen beeld moeten zijn, passend voor onze grootste koning. Ik zeg dat ik hem bewonder, dat hij heel hard heeft gewerkt om zijn land groot te maken.

‘Ja, zegt Joanna, maar hij had het toch niet zo moeten doen, als kolonialist, hij had ook kunnen proberen goed te doen.’

‘Waar wat je zegt, maar dat hebben de anderen ook niet gedaan. Hij was natuurlijk ook een kapitalist, al die koningshuizen trouwens; ik wil alleen maar zeggen: hij heeft hard geknokt voor zijn land, hij wilde er een groot land van maken binnen het waardestelsel weliswaar van de negentiende eeuw en hij is erin geslaagd. Hij heeft zijn deel gedaan. Dat is denk ik meer dan je van de meesten van ons kan zeggen. Ja, ik verfoei ook die imperialistische, desastreuze negentiende eeuw; de eeuw van de triomfantelijke Europese suprematie, maar ik wil maar zeggen, ik vind het weer zo typisch Belgisch dat ze hem nu als een monster verguizen terwijl koningin Victoria en Wilhelm de Kaiser en de Hollandse Oost-Indische Compagnie en de rest nog erger waren. Ga het maar na. Maar daar vallen de anderen nog altijd voor op hun knieën, blijkbaar. Trouwens het is niet Leopold die die handen afgehakt heeft, het is de Anglo-Belgian Rubber company. Anglo-Belgian, snap je?..’

‘Maar je moet toch toegeven dat hij erachter zat, hij wilde geld…’

‘Ja, ja, dat geef ik toe, het ging hem om het geld, het is allemaal één pot nat natuurlijk. Het is één pot nat…’

Je suis le souverain d’un petit pays et de petits gens…’

Lezend in de geschriften van Leopold II wordt men zich bewust van de diepte en omvang van het liberaal gedachtegoed. De bovenlaag van de maatschappij was gedrenkt, gepekeld in kapitalistisme. En de hele moraal, de ethiek ontwikkelde zich daaruit. De westerse mens moet streven naar economische groei, materiële rijkdom en technologische vooruitgang. De eerste doelstelling steunt volledig op onderlinge competitie. Bedrijven moeten competitief zijn. En dus zoeken ze steeds goedkopere arbeidskrachten en grondstoffen en bemachtigen ze steeds meer afzetgebieden. En dus was er een onstilbare honger naar land, alle onbezette stukken van de planeet werden, in een ware wedloop tussen de in afzonderlijke naties verenigde kapitalisten, gekoloniseerd. De geestelijkheid, ongelooflijk genoeg, volgde de kapitalist daarin. Om de kolonisatie goed te praten gebruikte men dezelfde drogredenen als tijdens de driehonderd jaar durende slavenhandel: de Afrikanen hadden geen nauwkeurig beeld van God en kenden noch de zoon van God, geboren uit de Onbevlekte Ontvangenis, noch alle andere heiligen maar aanbaden daarentegen allerlei onbelangrijke dingen zoals bomen, bergen, beekjes en dieren. Maar eens dat alle Afrikanen bekeerd waren, pakte dat argument niet meer.

Toen kwamen de wetenschappers met hun racistische leer op de proppen. Op basis van schedelmetingen en dergelijke bleek dat het negroïde ras minderwaardig was.

Er was ook het begrip ‘beschaving’. Beschaving was de geijkte waardeschaal om volkeren en rassen te beoordelen en werd gemeten aan de hand van materiële welvaart.

De negentiende eeuw heeft daadwerkelijk de basis gelegd van onze moderne maatschappij. Niet de door het liberalisme steeds naar voren geschoven Verlichting. Niet de ‘oude Grieken’. Ik denk dat Rousseau of Aristoteles hier rare ogen getrokken zouden hebben.

Overal hebben we de geschrokken, verbouwereerde ‘wilden’ opgejaagd. Hen vanachter onze façades toegesproken met donderpreken en wetenschappelijk jargon. En zie, nu, honderd jaar later, ‘ontwikkeld’ en doodarm, keren ze zich als één grote massa tegen ons en landen, dwars door die façade heen, in onze wereld. En wat vinden ze, al die uitgehongerde, woedende illegalen?… De ‘westerse beschaving’ at first hand. In vlees en bloed.

Wie zijn de mensen die hen ooit hebben samengedreven in kampen, fabrieken en plantages, en hen tot minderwaardigen, tot slaven, tot achterlijken, ongelukkigen hebben gestigmatiseerd?…Het zijn wij, de beschaamde erfgenamen van een desastreuze, valse beschaving. Een ontgoocheling die pijn doet, staat op hun gezicht te lezen, een ontgoocheling die snel plaatsmaakt voor minachting. Dan wordt kordaat het gevecht aangevat: de allochtone magere slaven tegen de autochtone vette slaven.

Ja, waarlijk, de negentiende eeuw was het tijdperk van de triomfantelijke westerse beschaving. Leopold II was een van de grote mannen van die tijd. Liberaal tot in het merg, maar waren dat niet alle koningshuizen? Racistisch? Niet meer dan de gemiddelde bourgeois in zijn stad. Hoe meer ‘ontwikkeld’ men was, hoe racistischer. Want wie gelooft in ontwikkeling, gelooft logischerwijze ook in achterlijkheid.

Onthutsende, nee, choquerende voorbeelden hiervan vindt men bij de ‘moderne wetenschappers’ van de late negentiende eeuw, de antropologen, sociologen, psychologen en de rest. Ik vind die boeken bij de vleet op de vlooienmarkt voor een euro het stuk. Er staat een overvloed aan afbeeldingen in van Eskimo’s, Hottentotten, Bantoes, Australiërs en Indianen met verklarende teksten die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. In het Frans, het Duits en het Engels.

Uit de zeer geleerde artikels in het wetenschappelijke tijdschrift van de Société d’anthropologie de Bruxelles van professor Eduard Dupont, Houzé, Jacques et al. verneemt men weinig verheffende zaken, en dit op basis van wetenschappelijke metingen van schedels en andere imbeciele methodes, over de evolutionaire status van ‘kaffers, negers, roodhuiden en Eskimo’s. En zelfs Vlamingen! De geleerde heer Houzé namelijk maakte in voornoemd tijdschrift in 1884 melding van zijn ontdekking dat het Vlaamse gepeupel ‘in feite quartaire mensen zijn, ontheemd te midden van onze moderne maatschappij. Het zijn een soort intellectuele fossielen die gedoemd zijn om uit te sterven.’ Einde citaat.

Over de neger was de Europese wetenschappelijke wereld het alleszins roerend eens: ‘Zij vormden een schakel tussen de orang-oetang en de superieure blanke mens.’

Zeker en vast was Leopold een racist, maar het is een beetje hypocriet om hem daarbij als monsterachtig unicum op te voeren. De hele intellectuele en de hele bezittende klasse van België, Duitsland, Nederland, Engeland, Oostenrijk, Spanje en Frankrijk was gedrenkt in de wetenschappelijke overtuiging dat andere rassen minderwaardig waren. Inferieur. Met beestachtige trekken. Beklagenswaardig in feite en gedoemd om uit te sterven…

Dit uittreksel is geplaatst als reactie op http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2018/01/29/tijd-om-ons-collectief-geheugen-te-dekoloniseren#

Samen met Gino heb ik in het Noordstation een klein experiment uitgevoerd. Gino zal zelf niet snel over de maatschappij beginnen, maar als ik het doe, is hij het altijd roerend met me eens en voor een experiment is hij steeds te vinden. We vonden ergens een stapeltje formulieren van een of andere firma. Gewapend met elk een stapeltje en een pen hielden we mensen staande (we waren in burger) en vroegen hun heel ernstig en beleefd of ze tijd hadden voor een kleine enquête.

We stelden slechts één vraag, namelijk:

Wat is er volgens u het belangrijkste, de economie of de mens?

Van de dertig mensen, allemaal mannen, waarom weet ik niet meer, antwoordden er negen onmiddellijk: ‘de mens natuurlijk!’

De meesten moesten over deze simpele vraag een tijdje goed nadenken vooraleer ze antwoordden dat eigenlijk de mens toch wel belangrijker was.

En niet minder dan zeven meenden heel oprecht: ‘de economie is belangrijker’. Ze keken daarbij erg sip… ‘Ja, ’t is nu eenmaal zo …’

Eentje zei er: ‘Wat wilt ge, er moet brood op de plank komen, hé’

‘Jamaar, riep Gino opgewonden, ik zei wel, de economie of de mens!’

‘Jaja, ik heb het wel gehoord, de mens. Zonder de economie is er geen eten, zo simpel!’

… Maar wat heb ik hier ontdekt? Dat moed een sociaal iets is. Als je in een groep bent, krijg je meer moed. Als je in groepsverband opereert, ben je veel dapperder. Kijk maar naar de Marokkanen. Die jongens lopen altijd in groepjes van vier of zes. Uiteindelijk is zelfs alleen het gevoel al, het groepsgevoel op zich, de teamgeest belangrijk. Alleen op patrouille of de wijk in, maar op ’t commissariaat zitten collega’s met wie ik een echt team vorm. Dat geeft mij moed, dat maakt waarlijk al het verschil, ook al ben ik op dat moment alleen. Het is niet alleen het feit dat anderen ter hulp zullen snellen als je in de problemen geraakt, het is iets anders: de magie van de groepsgeest – een soort van sociale drug. Tijdens de opleiding liepen we als klas in groep tweemaal per week een aantal kilometer, geleidelijk aan steeds grotere afstanden en een Marokkaanse Belg die nog bij de para’s geweest was, begon een simpel lied te scanderen tijdens het lopen dat door ons allen werd overgenomen. Ik herinner me alleen nog de twee woorden, ‘Mighty Belgium’. Uiteindelijk zong de hele groep uit volle borst. Simpel maar zeer doeltreffend. Je wordt je bewust van de groep waar je deel van uitmaakt en waar je zonder aarzeling aan gaat gehoorzamen. Als ieder dat doet, wordt de groep op hetzelfde ogenblik ijzersterk en dat voel je gewoon in de blik van de anderen, in de samenzang van al die stemmen en het maakt elk van ons op zijn beurt weer sterker, dapperder en dat versterkt dan weer de groep en zo ontvouwt zich spontaan een sociaal mechanisme dat elk groepslid naar een optimum van kracht en vastberadenheid leidt…

(In categorie ‘Beelden’ kan je het lied: Mighty Belgium beluisteren)

Lezing in De Groene Waterman – Ludo De Witte over de desastreuze klimaatverandering – 13 januari 2018 – bedenkingen bij het boeiende en loofwaardige debat

Ik bevind me op deze lezing tussen hele lieve en welingelichte mensen die het goed voorhebben met de natuur en de menselijkheid.

Maar ik kan nooit geloven dat de draak, het evil, das böse dat ons nu regeert ooit op de knieën gebracht zal worden door weldenkende en affluente burgers die boven op een berg privileges zitten. Ze zitten op de ringelingschat van de draak met die hete adem in hun nek, het knagende schuldgevoel, maar voor de rest zit je daar comfortabel. Ik kan ervan meespreken.

Zoals de zaken evolueren geloof ik evenmin dat de vakbonden uiteindelijk de strijd kunnen winnen. Hun strijd is tragisch genoeg de laatste grote strijd van de democratie tegen planetaire onderdrukking. Het is de heroïsche strijd van nobele mannen en vrouwen die langzaam maar zeker oud en moe worden. Betoging na vergadering na betoging wordt hun macht en prestige verder geërodeerd. Zelfs in Frankrijk zakken de vakbonden langzaam door de knieën. De strijd is als een middeleeuwse belegering waarbij de politici in opdracht van de financiële edelen, de monetaire graven en de dollarbaronnen de vesting van socialistische verworvenheden belegeren en hun stormrammen zijn de media. Ze nemen rustig de tijd en plunderen ondertussen het omliggende land. De eerste bressen zijn al geslagen: het volk mort en gromt als de zoveelste ‘wilde spoorwegstaking’ in het nieuws komt.

Een coalitie van Groen en spA ?…

Ik denk dat de Europese ‘kiezer’, om hem zo maar eens te noemen, een radikaal nieuw politiek wapen moet smeden als hij in alle ernst de strijd wil aangaan. Laten we ophouden onszelf wijs te maken dat al die stemmen die om de vier jaar gewichtsloos en geruisloos als dode bladeren in de stembus dwarrelen ooit dit verdorven systeem gaan nekken. Weg met die ballast uit het verleden. Een drastische hergroepering van de krachten is vereist. De grootste hindernis, het meest dringende obstakel op weg naar de zege is de eeuwige strijd tussen links en rechts. Links en rechts moeten samen gaan. Klinkt wellicht hallucinerend, grotesk voor velen maar het is tijd dat we politiek herboren worden. Die verkalkte toestand van links tegen rechts is de gemeenschap al duur te staan gekomen en moet nu maar eens eindelijk naar de schroothoop. Pas dan kan er een volksfront gecreëerd worden dat als een tsunami het financieel-industrieel-militair establishment kan overspoelen en vernietigen.

Divide et impera. De elite lacht zich al honderd jaar een bult als ze ons zo horen bekvechten over vreemdelingen en homo’s en Stalin en Hitler. Het is de hoogste tijd om komaf te maken met die oudbollige, verlammende dead-lock. D’er zit aan de rechterkant een enorm potentieel van revolutionaire, democratische (vinden zijzelf toch)… krachten te wachten om zichzelf in dienst te stellen van een grote oorlog voor de redding van onze natuur en onze menselijkheid. We moeten dringend doen wat de Russische en Amerikaanse soldaten deden toen ze mekaar in Berlijn voor het eerst tegenkwamen. Niet zo moeilijk toch? Handenschudden, sigaret rollen, vragen hoe het verder zal gaan. Je zal zien, het zijn ook mensen.

Wat is politiek? Of wat zou het moeten zijn? Wat politiek niet moet zijn: denken aan ons eigen voordeel – plannen maken voor onszelf; politiek moet wel zijn: voor ogen houden het geluk van de komende generaties. Politek is het nodige ondernemen om maatschappij en natuur die wij geerfd hebben van onze ouders intact aan onze kinderen door te geven. Hoe gaan we anders later die kinderen in de ogen kijken? Is het niet beter zelf te lijden door het geweld en de ontbering in plaats van de komende apocalyps (want dat is het aan het worden) met wat hypocriet gewauwel door te schuiven naar de onschuldigen die na ons komen? Dat is het morele compas van de politiek. Je zal zien: eens dat je dat compas volgt, ben je niet langer de prooi van twijfel, onzekerheid of politiek nihilisme.

Laten we langs linkerkant daarom eindelijk ophouden met dat gemekker over vluchtelingen en ‘extreem-rechts’ en ons focussen op de hoofdzaak. Er is maar één doel waarop we al onze krachten, al onze haat, al onze liefde en al onze moed moeten richten en dat is de vernietiging, de destructie van de klasse van de superrijken en hun politieke lakeien.

Een tweede radikale stap die we moeten zetten is niet langer bang te zijn van geweld. Geweldloos maak je geen revolutie, nooit. Gandhi schreef: “als mijn land aangevallen wordt en het moet als laatste redmiddel verdedigd worden in dat geval verkies ik de wapens op te nemen in plaats van geweldloosheid te prediken. Dat laatste zou in dat geval neerkomen op lafheid.” We leven in een spiegelpaleis van materialisme en individualisme. Samenhorigheid maakt mensen sterk, individualisme maakt mensen laf. We zijn allemaal bang om pijn te lijden: we schaffen het leger af, we paaien het oprukkende islamisme, we keren ons liever tegen het Vlaams Belang dan tegen een bende Marokkaanse amokmakers om maar niet te moeten vechten. We moeten ons schamen.

 

‘… Maar gelooft u nu echt dat God bestaat, mijnheer Lorenz?’

Mijn broer boog zich naar haar toe met een glimlach en antwoordde kalm: ‘Ik geloof in God’. Ik wist wat zou komen.

‘Maar God bestaat niet… Komaan, we leven tenslotte in de eenentwintigste eeuw.’

‘’Ik geloof’ betekent niet overtuigd zijn van het bestaan, maar wel ‘vertrouwen in’, ‘zich schenken aan’.’

Hetzelfde had hij ook tegen mij gezegd toen we avonden vulden met discussies over God en zulke dingen. Weer maakte hij de vergelijking met de vader en de zoon die zich op een examen voorbereidt, ‘…bijvoorbeeld een examen wiskunde en de vader weet heel goed dat de zoon geen kei is in wiskunde, maar hij zal zeggen tegen de zoon: ‘ik geloof in jou’ en tegen de moeder zal hij zeggen: ‘ik geloof in hem, ik weet dat hij zal slagen. Zo moeten we ook geloven in God.’

‘… Dat zijn allemaal de verkeerde vragen gesteld door halve mensen, mensen die maar één helft van hun hersenen gebruiken, snap je?’

‘Nee’, antwoordde Joanna vastberaden. En Lorenz ging even vastberaden verder: ‘halve mensen zijn mensen die alleen rationeel en nooit spiritueel denken. Omdat ze dat zo in onze westerse scholen geleerd hebben; omdat onze kinderen op school gedrild worden om alles wat niet rationeel is te beschouwen als fout, als ballast, bijgeloof, nutteloze fantasie zoals godsdienst, primitieve culturen, mystiek, de geestenwereld, traditionele rituelen, zelfs moraal. Alleen meten is weten, full stop. En zodoende zijn uit die geamputeerde kinderen de westerse halfmensen gegroeid. Halfmensen zijn zeer nuttig voor de economie. Het zijn zeer efficiënte en voorspelbare wezens. Maar het is niet voor niets dat onze hersenen het vermogen hebben tot spiritualiteit. Dat beginnen we stilaan in te zien, want onze wereld, onze rationele, moderne maatschappij is totaal stuurloos geworden, is het niet? Blijkbaar zijn we bezig onszelf te vernietigen.’

Brief van Lorenz uit Wamba: “Ik hou helemaal niet van die delegaties van de Europese Unie. Heel typisch vind ik die wereldkaart die in elke delegatie hing waar ik ooit kwam en die ze verdorie nog altijd ophangen, ook hier in Wamba. De landen op die kaart zijn in twee kleuren verdeeld: de rode en de blauwe. De rijke landen zijn de blauwe: Europa en de USA. De rode zijn de arme landen: al de rest. Het geheel is nog opgesmukt met een paar statistische parameters, bijvoorbeeld hoe veel kans je maakt om ouder dan veertig te worden of hoe veel kans je kinderen maken om te leren schrijven en lezen.

Zodat ieder die daar binnenkomt direct kan zien hoe de zaken gesteld zijn. Voor de functionarissen die er elke dag passeren is het ongetwijfeld een hele opsteker te weten dat zij bij de gelukkigen behoren. De lokale mensen, de zogenaamde ‘staf’ die kunnen het in hun zak steken. Daar hangt het duidelijk tegen de muur in felle kleuren: zij zijn statistisch significant gedoemd om minderwaardig te zijn, minderwaardig, let wel, in de ogen van degenen die dat soort imbeciele kaarten nog altijd maken.

En wees er verdomd zeker van, op die kaarten verandert niets. Zelfs niet na nog eens dertig jaar ontwikkelingshulp: rood blijft rood en blauw blijft blauw. Jij zult dat stom vinden, maar toen er niemand was, heb ik die kaart vervangen door een poster van Bob Marley, gekocht op de markt. Vraag maar aan Jean-Pierre als we terug zijn.”

 

De reactie van Eva en Smarre was: ‘dat hij dan maar woord houdt dit keer en voorgoed stopt met die consultaties. Zolang hij zelf meedoet, heeft hij geen recht om te protesteren’.

“De meest akelige website die ik ooit tegenkwam, is die van ‘Het Centrum voor Gelijke Kansen’. De eerste keer dat ik me zorgen begon te maken was toen dit centrum een Aramese priester uit Charleroi voor de rechtbank daagde wegens ‘het aanzetten tot rassenhaat’ omdat hij het waagde openlijk te waarschuwen voor het groeiende gevaar van de islam in Europa. Hij haalde citaten uit de Koran aan die aantonen dat dit heilige boek aanzet tot extreem geweld tegen zogenaamde ‘ongelovigen’. Ze wilden hem muilkorven, maar hij liet zich niet muilkorven en werd door de rechtbank vrijgesproken. Hij staat bekend als Père Samuel. Het Centrum voor Gelijke Kansen doet denken aan de inquisitie. Luguber gemanipuleer van de sociale moraal met de bedoeling mensen angst aan te jagen. Ze herdefiniëren onder andere de term racisme. Voor zover ik weet is racisme de opvatting dat rassen moreel minder- of meerderwaardig zouden zijn ten opzichte van elkaar zodat je verschillende morele maatstaven mag gebruiken naargelang van het ras. Maar die van dat centrum hebben over racisme een omschrijving van drie bladzijden gemaakt die in zulke mate is opgesteld dat je het waarlijk benauwd krijgt, als je het leest. Het enige dat nog mag, is multiculturaliteit ontvangen zonder kritiek, zonder enige bezorgdheid over de consequenties die dat voor je eigen gemeenschap misschien zou kunnen hebben, ja, als je dat doet, dan ben je geen racist, dan ben je een gebrainwashte volgzame idioot.

Ik vraag me af wie er daar achter de schermen van dat centrum werkt.

Wie racisme wil zien, moet kijken naar de daden van de imperialistische en koloniale kapitalisten van de voorbije eeuwen, om over de slavenhandel maar te zwijgen. Er is bij ons ook nu nog dat halfzachte, maar taaie racisme tegenover de ‘zwarte’. Het racisme van de nonkel uit Congo. Het is dom. Geleidelijk aan groeit het er wel uit.”