februari 2018

Wij, INP Zuiverloon, genoten ooit het voorrecht bevriend te zijn met een Maasai die Mozes heette. Zijn ‘manyatta’ stond in de Loitaheuvels in Kenia, niet ver van de grens met Tanzania. Ze staat er wellicht nog altijd, diep in het Maasailand waar geen wegen zijn en tal van wilde dieren ronddolen. Wij werden altijd hartelijk ontvangen door de gemeenschap. Op een keer voelden wij dat er een geheel andere wind waaide. De ‘moran’ bekeken ons wantrouwig. Ze praatten onder elkaar met hun rug naar ons toe. Hun gesprekken hadden iets blaffends, ze knelden de speren in hun vuisten zodat er een dreiging van uitging. Wij hoorden van Mozes dat de Loita-Maasai een geschil over grond hadden met de Kikuyu. De regering had plannen om grote tarwevelden aan te leggen in het Maasaigebied waar nu impala’s en zebra’s graasden. Tarwe bracht immers veel meer op en de Kikuyu stonden al klaar om het wilde land in cultuur te brengen. Maar de Maasai graasden er al sinds eeuwen hun vee en jaagden er op leeuwen en ze vonden dat het land hun toebehoorde. Er waren een paar dagen geleden een paar doden gevallen bij een eerste schermutseling. Vandaar, verklaarde Mozes, dat zijn vrienden zich plots anders gedroegen tegenover vreemden. ‘Blanken heulen immers met de regering!’

De ouderen die anders in een zalig dolce far niente onder hun boom zaten te keuvelen en door de anderen met eerbied en genegenheid werden behandeld en naar wier advies iedereen vol respect luisterde, zagen er nu heel wat minder zelfzeker uit. Ze hielden zich gedeisd, ze leken weinig op hun gemak in de nabijheid van de jonge krijgers. De vrouwen troostten ons door te zeggen: ‘Maak je niet druk, het waait wel weer over.’ Maar ook zij hadden niets meer in de pap te brokken. Het waren duidelijk de krijgers die nu de plak zwaaiden. Tegen het einde van de dag, nadat het vee in lange slierten naar de kralen was teruggebracht, ontstonden er spontane dansgroepen. Wij merkten hoe het volk zich rond één persoon schaarde, een soort leider. De jonge mannen zweepten zichzelf op. Ze riepen woest naar elkaar. Ze werden agressief, oorlogszuchtig. Ik kon duidelijk gewaarworden hoe op dit ogenblik alles in de gemeenschap moest wijken voor dit ene: de krachten bundelen rond een leider om de aanvallers het hoofd te kunnen bieden. Elk lid van de gemeenschap moest kiezen: of hij sloot zich aan bij deze groep of hij werd met achterdocht bekeken.

Toen we een paar maanden later terugkeerden, was alles weer als vanouds. De regering had haar claim op het Maasailand voorlopig opgeborgen. De ouderen dronken weer honigbier onder de boom, de krijgers drentelden weer goedgemutst samen met ons tussen de hutten en de kraals.

Toen drong het plots tot ons door dat wat wij tijdens ons vorig bezoek te zien hadden gekregen, een vorm van fascisme was: de leider, wantrouwen tegenover vreemdelingen, individuele vrijheid opofferen aan de groep, militarisme enzovoort.

Blijkbaar is een maatschappij geen immobiel systeem, maar een dynamisch organisme dat onderhevig is aan gedaantewisselingen. Een natuurlijke gemeenschap kan van een vorm van staatsbestel overgaan in een andere vorm naargelang de uitwendige omstandigheden dit vereisen. Als er vrede is, heerst er democratie en komt het aan de ouderen toe om te regeren; dreigt er gevaar, dan nemen de krijgers over! In het eerste geval is de gemeenschap gefragmenteerd en tolerant; in het tweede geval vormt ze één blok en is ze wantrouwig tegenover alles wat vreemd is. (zie mooie foto onder Beelden)

Met zijn drieën lopen we door de donkere stad te voet van het Flageyplein naar de Porte de Namur. We stappen met dichtgeknoopte jas door de lange, steile straten van Elsene.

Er is niet veel te zien onderweg, wat nachtwinkels en hier en daar een gezellig ogende herberg. Telkens als we langs zo ’n etablissement komen, stelt Lorenz voor halt te houden om daar iets te nuttigen. Het is een heel eind stappen, we beklimmen een heuvel. Maar Smarre glimlacht slechts en geeft opgewekt te kennen dat ze niet de minste aandrang voelt aan dergelijke gemakzucht toe te geven. Het was een typische situatie. Lorenz, die wil toegeven aan een verzoeking en Smarre, die integendeel resoluut de andere weg inslaat, die van de discipline. Leve de gezonde wandeling in de frisse herfstlucht. Lorenz bromt onwillig en strompelt machinaal verder. Hij verzinkt in diepe gedachten. Niet lang daarna slaakt hij een kreet. Ik kijk rond of er weer ergens een café opduikt maar dat is het niet…

‘Ik ben er eindelijk achter gekomen wat de drijfveer is van Smarres flinke en voorbeeldige gedrag’, roept hij uit. ‘Waarom is ze de ene keer zo kloek en de andere keer dan weer zo psychologisch behoeftig?’

Het was een retorische vraag.

‘Ik begreep plots dat er in onze verhouding een soort van dichotone dynamiek schuilt. Als ik down ben, zal zij up zijn, in het voortouw staan, geneigd zijn uitdagingen aan te nemen, kortom, ze beleeft een glorieuze tijd en dit net zolang als ik zelf tekortschiet en alles zwart zie. En hoe meer ik aan deze zwakte toegeef, hoe meer ik ersatzbevrediging zoek in alcohol en zoetigheden, hoe meer zij die weerstaat. Alsof ze kracht put uit mijn zwakte. En hoe meer blijk ze geeft van een ijzeren wilskracht, hoe zwartgalliger ik voor me uit staar. Hoe dringender haar aanmaningen zijn om mezelf ‘bijeen te pakken’ en ‘niet te laten gaan’, hoe onvermijdelijker ik wegzink in lethargie. Dit kan dagen duren. Ze neuriet, eet gezond, snelt van de ene huishoudelijke taak naar de andere terwijl ik als een slak van de zitbank naar het bed kruip. Tot ik eindelijk het licht weer zie schijnen en haar op een morgen een klinkende zoen geef, bruisend van levenslust. Dan verandert de emotionele tuimelaar van positie. Nu zit ik boven en dus zakt zij naar beneden: ze krijgt haar eerste huilbui, dan volgen driftbuien waarbij me allerlei euvels voor de voeten geworpen worden. De rollen zijn nu omgekeerd. De fles wijn, de koekjes verschijnen al snel op tafel. Ze verwijt me dat ik haar verwaarloos.

Verwonderd zie ik hoe het niveau in de fles gestaag daalt. Ikzelf hou het liever bij water, dat is gezonder. Ik vraag haar vriendelijk haar drankzucht in toom te houden, het is immers slecht voor de hersenen en de gewrichten, zoals iedereen weet. En ondertussen voel ik me hoe langer hoe prettiger’…

Terwijl we verder klommen, richting Kleine Ring, becommentarieerden we dit nieuwe inzicht. Smarre beaamde onmiddellijk Lorenz’ interpretatie van die gemoedsschommelingen. Maar wat Lorenz vertelde, klonk mezelf ook niet vreemd in de oren.

‘Dus, hernam Lorenz enthousiast, wat er daarnet gebeurde, even voor het Ferdinand Coxplein, namelijk dat ik een café wilde binnengaan en dat jij als reactie voor de ‘gezonde wandeling’ koos, dat was het gevolg van hetzelfde principe. Mijn zwakheid maakte jou extra sterk.’

‘Ik moet toegeven dat je precies gelijk hebt’, antwoordde Smarre, zachtjes glimlachend.

‘En gebeurt dat niet de hele tijd, ging Lorenz verder, lijkt die emotionele wisselwerking niet een typisch, steeds terugkerend principe in een relatie, of tenminste toch in de onze?’

‘Zeker en vast is me dat ook opgevallen’, beaamde Smarre grootmoedig, ‘het is zoals je zegt.’

‘Ik noem het, besloot Lorenz lichtjes hijgend, want we waren nu helemaal boven…ik noem dat het wipprincipe. Als de ene boven zit, zit de andere beneden.’

We stonden aan de Naamse Poort en keken uit over de koude door neonlampen verlichte boulevard. Aan de andere kant daal je langs de Naamse Straat af naar het Koningsplein en verder tot in het hart van deze heuvelige stad. Behalve ons waren er geen voetgangers te bekennen.

‘We lijken net een koppel ganzen dat is neergestreken op een winterse weide’, zei Smarre.

Het boek, Dagboek van een flik, is nu ook te koop in Brussel in Passa Porta, Standaard Boekhandel en

op het Vossenplein in Hotel Galia en in café La Brocante.

Enkele tijdschriften en kranten vonden een artikel over de inhoud niet kunnen omdat het boek niet politiek correct zou zijn. Ik probeer hen te ertoe te brengen me een interview toe te staan om mezelf te verduidelijken. 

Zie OPEN BRIEF onder rubriek NIEUWS.

Er zijn snelgroeiende economische machten, zoals de vroegere Sovjetstaten, China, Indië en andere die de hegemonie van het westers multinationaal industrieel en financieel complex bedreigen. Catastrofale aardverschuiving, want de westerse kapitalisten domineerden werkelijk de hele planeet.
Plots kunnen anderen talloze producten die wij hier fabriceren en over de hele wereld exporteren, tienmaal goedkoper produceren dankzij goedkope arbeidskrachten. In paniek gaat het Westen op zoek naar een oplossing. Er zullen alleszins grote middelen aangewend moeten worden. Ze komen bijeen om te overleggen, niet één keer, maar tien keer. Dat zijn de zogenaamde GATT-meetings die we allemaal op tv mochten zien plaatsvinden, de zeven rijkste landen, het aantal fluctueert, de meest vraatzuchtige haaien van de wereld, met hun lakeien, de ministers die achter hen aan lopen en nota’s nemen. We herinneren ons nog de schokkende beelden van die geheime besprekingen in de meest luxueuze oorden afgegrendeld door een enorm en grimmig politiekordon.
Wat wordt er daar uitgeknobbeld op die GATT vergaderingen? We hebben twee alternatieven zeggen de haaien tegen de ministers: ofwel gaan we met onze fabrieken naar de goedkope arbeidskrachten ofwel halen we de goedkope arbeidskrachten naar hier. Een nieuwe strategie die bekend wordt onder de naam ‘globalisering’. Door de grenzen af te schaffen en de producenten en werkmensen van de hele planeet met elkaar te laten concurreren, zullen onze eigen werkmensen geen andere keus hebben dan al hun sociale verworvenheden te laten schieten en aan een hongerloon aan de slag te gaan.
De ministers tuigen aan het werk om de hen opgelegde taken uit te voeren. Dat is in de eerste plaats de burgers thuis de mond snoeren. Want het globalisme heeft een aantal kwalijke neveneffecten natuurlijk, in de eerste plaats het ‘multiculturalisme’. Mensen zien het sociale weefsel in hun buurt brutaal verstoord worden en uiten hun ongerustheid. Maar ondertussen heeft de regering zijn huiswerk al gemaakt en reeds hangen overal posters op die ons vertellen dat de ‘wereld één groot dorp is’ en ons wordt tot in den treure getoond hoe verschrikkelijk arm alle mensen zijn die niet in Europa wonen en dat het hardvochtig en kleingeestig is om hen niet te laten delen in de koek. Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding wordt opgericht en op elk publiek forum wordt geschermd met het woord racisme tot je ervan moet kotsen.
Tot zover Lorenz.
… Racisme dat ik trouwens nooit veel heb gezien in de straten waar ik werk, waar de sociaal kansarmen wonen die de uitwassen van het multiculturalisme in stilte moeten verduren.

Dat multiculturalisme op de duur leidt tot intolerantie is nogal wiedes, nogal terecht, besef ik nu.
Hier in Brussel heb ik ondertussen nog iets anders geleerd, iets dat het plaatje compleet maakt: de medeplichtigheid van de traditionele linkse partijen. Zij hebben zich op die immigrantenproblematiek gestort als een bende blinden. En nu is het zo ver gekomen, zoals Youssef van de garage in de Valkstraat onlangs zei, nu is het zo ver gekomen dat de socialisten, in de eerste plaats de Parti Socialiste, de niet-Belgen in alles tegemoetkomen, zelfs tegen alle rationele beleidsvoering in, om maar niet die stemmen te verliezen. Zo hebben de linksen zich domweg en nietsvermoedend voor de kar van het neo-liberaal kapitalisme laten spannen.
En zo zit de gewone Belg nu politiek gezien al jaren hopeloos in de tang, een tang waarvan de ene lip het globalistische neoliberalisme is en de andere de op allochtonen aangewezen linkse partijen. Penibele situatie.