U.5 (blz 209) Bestaat God?

‘… Maar gelooft u nu echt dat God bestaat, mijnheer Lorenz?’

Mijn broer boog zich naar haar toe met een glimlach en antwoordde kalm: ‘Ik geloof in God’. Ik wist wat zou komen.

‘Maar God bestaat niet… Komaan, we leven tenslotte in de eenentwintigste eeuw.’

‘’Ik geloof’ betekent niet overtuigd zijn van het bestaan, maar wel ‘vertrouwen in’, ‘zich schenken aan’.’

Hetzelfde had hij ook tegen mij gezegd toen we avonden vulden met discussies over God en zulke dingen. Weer maakte hij de vergelijking met de vader en de zoon die zich op een examen voorbereidt, ‘…bijvoorbeeld een examen wiskunde en de vader weet heel goed dat de zoon geen kei is in wiskunde, maar hij zal zeggen tegen de zoon: ‘ik geloof in jou’ en tegen de moeder zal hij zeggen: ‘ik geloof in hem, ik weet dat hij zal slagen. Zo moeten we ook geloven in God.’

‘… Dat zijn allemaal de verkeerde vragen gesteld door halve mensen, mensen die maar één helft van hun hersenen gebruiken, snap je?’

‘Nee’, antwoordde Joanna vastberaden. En Lorenz ging even vastberaden verder: ‘halve mensen zijn mensen die alleen rationeel en nooit spiritueel denken. Omdat ze dat zo in onze westerse scholen geleerd hebben; omdat onze kinderen op school gedrild worden om alles wat niet rationeel is te beschouwen als fout, als ballast, bijgeloof, nutteloze fantasie zoals godsdienst, primitieve culturen, mystiek, de geestenwereld, traditionele rituelen, zelfs moraal. Alleen meten is weten, full stop. En zodoende zijn uit die geamputeerde kinderen de westerse halfmensen gegroeid. Halfmensen zijn zeer nuttig voor de economie. Het zijn zeer efficiënte en voorspelbare wezens. Maar het is niet voor niets dat onze hersenen het vermogen hebben tot spiritualiteit. Dat beginnen we stilaan in te zien, want onze wereld, onze rationele, moderne maatschappij is totaal stuurloos geworden, is het niet? Blijkbaar zijn we bezig onszelf te vernietigen.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *