Uittreksels uit de dagboeken

Passages uit de dagboeken van Konrad. Klik op de titel v/h bericht om te reageren.

‘… In Vilvoorde gaat een zestienjarige Maghrebijn woest tekeer tegen drie agenten tijdens een controle als gevolg van klachten over vandalisme. Een vrouwelijke agente liep een hersenschudding en nekklachten op. Een van de twee anderen heeft een barst in het kaakbeen. De jeugdrechter liet de dader nog dezelfde dag vrij wegens plaatsgebrek in de gesloten instellingen.

In de krant staat er: ‘De korpschef maakt zich zorgen over de boodschap die de allochtone jongeren krijgen.’

Ja, dat kan je wel zeggen. En die boodschap wordt door hen heel goed geïnterpreteerd. Ze luidt ongeveer zo: de enige prioriteit van onze decadente maatschappij is het financieel-kapitalistische systeem van onze westerse miljardairs te handhaven tegenover de Chinezen, de Indiërs en de rest, hetgeen we vrijhandel noemen. Daarvoor offeren wij onze eigen gemeenschap op, onze eer, onze traditionele waarden, onze toekomst, onze kinderen – wij noemen dat globalisme – dus doen jullie maar, het geeft niet als onze arme mensen er ziek van worden, wij noemen dat racisme; wij bedekken alles wel met de mantel der schijnheiligheid die we de rechten van het individu noemen, inclusief jullie walging die wij zinloos geweld noemen en als toch iemand het zou opnemen voor het gewone volk, dan noemen wij dat populisme en klaar is Kees…’

Wij, INP Zuiverloon, genoten ooit het voorrecht bevriend te zijn met een Maasai die Mozes heette. Zijn ‘manyatta’ stond in de Loitaheuvels in Kenia, niet ver van de grens met Tanzania. Ze staat er wellicht nog altijd, diep in het Maasailand waar geen wegen zijn en tal van wilde dieren ronddolen. Wij werden altijd hartelijk ontvangen door de gemeenschap. Op een keer voelden wij dat er een geheel andere wind waaide. De ‘moran’ bekeken ons wantrouwig. Ze praatten onder elkaar met hun rug naar ons toe. Hun gesprekken hadden iets blaffends, ze knelden de speren in hun vuisten zodat er een dreiging van uitging. Wij hoorden van Mozes dat de Loita-Maasai een geschil over grond hadden met de Kikuyu. De regering had plannen om grote tarwevelden aan te leggen in het Maasaigebied waar nu impala’s en zebra’s graasden. Tarwe bracht immers veel meer op en de Kikuyu stonden al klaar om het wilde land in cultuur te brengen. Maar de Maasai graasden er al sinds eeuwen hun vee en jaagden er op leeuwen en ze vonden dat het land hun toebehoorde. Er waren een paar dagen geleden een paar doden gevallen bij een eerste schermutseling. Vandaar, verklaarde Mozes, dat zijn vrienden zich plots anders gedroegen tegenover vreemden. ‘Blanken heulen immers met de regering!’

De ouderen die anders in een zalig dolce far niente onder hun boom zaten te keuvelen en door de anderen met eerbied en genegenheid werden behandeld en naar wier advies iedereen vol respect luisterde, zagen er nu heel wat minder zelfzeker uit. Ze hielden zich gedeisd, ze leken weinig op hun gemak in de nabijheid van de jonge krijgers. De vrouwen troostten ons door te zeggen: ‘Maak je niet druk, het waait wel weer over.’ Maar ook zij hadden niets meer in de pap te brokken. Het waren duidelijk de krijgers die nu de plak zwaaiden. Tegen het einde van de dag, nadat het vee in lange slierten naar de kralen was teruggebracht, ontstonden er spontane dansgroepen. Wij merkten hoe het volk zich rond één persoon schaarde, een soort leider. De jonge mannen zweepten zichzelf op. Ze riepen woest naar elkaar. Ze werden agressief, oorlogszuchtig. Ik kon duidelijk gewaarworden hoe op dit ogenblik alles in de gemeenschap moest wijken voor dit ene: de krachten bundelen rond een leider om de aanvallers het hoofd te kunnen bieden. Elk lid van de gemeenschap moest kiezen: of hij sloot zich aan bij deze groep of hij werd met achterdocht bekeken.

Toen we een paar maanden later terugkeerden, was alles weer als vanouds. De regering had haar claim op het Maasailand voorlopig opgeborgen. De ouderen dronken weer honigbier onder de boom, de krijgers drentelden weer goedgemutst samen met ons tussen de hutten en de kraals.

Toen drong het plots tot ons door dat wat wij tijdens ons vorig bezoek te zien hadden gekregen, een vorm van fascisme was: de leider, wantrouwen tegenover vreemdelingen, individuele vrijheid opofferen aan de groep, militarisme enzovoort.

Blijkbaar is een maatschappij geen immobiel systeem, maar een dynamisch organisme dat onderhevig is aan gedaantewisselingen. Een natuurlijke gemeenschap kan van een vorm van staatsbestel overgaan in een andere vorm naargelang de uitwendige omstandigheden dit vereisen. Als er vrede is, heerst er democratie en komt het aan de ouderen toe om te regeren; dreigt er gevaar, dan nemen de krijgers over! In het eerste geval is de gemeenschap gefragmenteerd en tolerant; in het tweede geval vormt ze één blok en is ze wantrouwig tegenover alles wat vreemd is. (zie mooie foto onder Beelden)

Met zijn drieën lopen we door de donkere stad te voet van het Flageyplein naar de Porte de Namur. We stappen met dichtgeknoopte jas door de lange, steile straten van Elsene.

Er is niet veel te zien onderweg, wat nachtwinkels en hier en daar een gezellig ogende herberg. Telkens als we langs zo ’n etablissement komen, stelt Lorenz voor halt te houden om daar iets te nuttigen. Het is een heel eind stappen, we beklimmen een heuvel. Maar Smarre glimlacht slechts en geeft opgewekt te kennen dat ze niet de minste aandrang voelt aan dergelijke gemakzucht toe te geven. Het was een typische situatie. Lorenz, die wil toegeven aan een verzoeking en Smarre, die integendeel resoluut de andere weg inslaat, die van de discipline. Leve de gezonde wandeling in de frisse herfstlucht. Lorenz bromt onwillig en strompelt machinaal verder. Hij verzinkt in diepe gedachten. Niet lang daarna slaakt hij een kreet. Ik kijk rond of er weer ergens een café opduikt maar dat is het niet…

‘Ik ben er eindelijk achter gekomen wat de drijfveer is van Smarres flinke en voorbeeldige gedrag’, roept hij uit. ‘Waarom is ze de ene keer zo kloek en de andere keer dan weer zo psychologisch behoeftig?’

Het was een retorische vraag.

‘Ik begreep plots dat er in onze verhouding een soort van dichotone dynamiek schuilt. Als ik down ben, zal zij up zijn, in het voortouw staan, geneigd zijn uitdagingen aan te nemen, kortom, ze beleeft een glorieuze tijd en dit net zolang als ik zelf tekortschiet en alles zwart zie. En hoe meer ik aan deze zwakte toegeef, hoe meer ik ersatzbevrediging zoek in alcohol en zoetigheden, hoe meer zij die weerstaat. Alsof ze kracht put uit mijn zwakte. En hoe meer blijk ze geeft van een ijzeren wilskracht, hoe zwartgalliger ik voor me uit staar. Hoe dringender haar aanmaningen zijn om mezelf ‘bijeen te pakken’ en ‘niet te laten gaan’, hoe onvermijdelijker ik wegzink in lethargie. Dit kan dagen duren. Ze neuriet, eet gezond, snelt van de ene huishoudelijke taak naar de andere terwijl ik als een slak van de zitbank naar het bed kruip. Tot ik eindelijk het licht weer zie schijnen en haar op een morgen een klinkende zoen geef, bruisend van levenslust. Dan verandert de emotionele tuimelaar van positie. Nu zit ik boven en dus zakt zij naar beneden: ze krijgt haar eerste huilbui, dan volgen driftbuien waarbij me allerlei euvels voor de voeten geworpen worden. De rollen zijn nu omgekeerd. De fles wijn, de koekjes verschijnen al snel op tafel. Ze verwijt me dat ik haar verwaarloos.

Verwonderd zie ik hoe het niveau in de fles gestaag daalt. Ikzelf hou het liever bij water, dat is gezonder. Ik vraag haar vriendelijk haar drankzucht in toom te houden, het is immers slecht voor de hersenen en de gewrichten, zoals iedereen weet. En ondertussen voel ik me hoe langer hoe prettiger’…

Terwijl we verder klommen, richting Kleine Ring, becommentarieerden we dit nieuwe inzicht. Smarre beaamde onmiddellijk Lorenz’ interpretatie van die gemoedsschommelingen. Maar wat Lorenz vertelde, klonk mezelf ook niet vreemd in de oren.

‘Dus, hernam Lorenz enthousiast, wat er daarnet gebeurde, even voor het Ferdinand Coxplein, namelijk dat ik een café wilde binnengaan en dat jij als reactie voor de ‘gezonde wandeling’ koos, dat was het gevolg van hetzelfde principe. Mijn zwakheid maakte jou extra sterk.’

‘Ik moet toegeven dat je precies gelijk hebt’, antwoordde Smarre, zachtjes glimlachend.

‘En gebeurt dat niet de hele tijd, ging Lorenz verder, lijkt die emotionele wisselwerking niet een typisch, steeds terugkerend principe in een relatie, of tenminste toch in de onze?’

‘Zeker en vast is me dat ook opgevallen’, beaamde Smarre grootmoedig, ‘het is zoals je zegt.’

‘Ik noem het, besloot Lorenz lichtjes hijgend, want we waren nu helemaal boven…ik noem dat het wipprincipe. Als de ene boven zit, zit de andere beneden.’

We stonden aan de Naamse Poort en keken uit over de koude door neonlampen verlichte boulevard. Aan de andere kant daal je langs de Naamse Straat af naar het Koningsplein en verder tot in het hart van deze heuvelige stad. Behalve ons waren er geen voetgangers te bekennen.

‘We lijken net een koppel ganzen dat is neergestreken op een winterse weide’, zei Smarre.

Er zijn snelgroeiende economische machten, zoals de vroegere Sovjetstaten, China, Indië en andere die de hegemonie van het westers multinationaal industrieel en financieel complex bedreigen. Catastrofale aardverschuiving, want de westerse kapitalisten domineerden werkelijk de hele planeet.
Plots kunnen anderen talloze producten die wij hier fabriceren en over de hele wereld exporteren, tienmaal goedkoper produceren dankzij goedkope arbeidskrachten. In paniek gaat het Westen op zoek naar een oplossing. Er zullen alleszins grote middelen aangewend moeten worden. Ze komen bijeen om te overleggen, niet één keer, maar tien keer. Dat zijn de zogenaamde GATT-meetings die we allemaal op tv mochten zien plaatsvinden, de zeven rijkste landen, het aantal fluctueert, de meest vraatzuchtige haaien van de wereld, met hun lakeien, de ministers die achter hen aan lopen en nota’s nemen. We herinneren ons nog de schokkende beelden van die geheime besprekingen in de meest luxueuze oorden afgegrendeld door een enorm en grimmig politiekordon.
Wat wordt er daar uitgeknobbeld op die GATT vergaderingen? We hebben twee alternatieven zeggen de haaien tegen de ministers: ofwel gaan we met onze fabrieken naar de goedkope arbeidskrachten ofwel halen we de goedkope arbeidskrachten naar hier. Een nieuwe strategie die bekend wordt onder de naam ‘globalisering’. Door de grenzen af te schaffen en de producenten en werkmensen van de hele planeet met elkaar te laten concurreren, zullen onze eigen werkmensen geen andere keus hebben dan al hun sociale verworvenheden te laten schieten en aan een hongerloon aan de slag te gaan.
De ministers tuigen aan het werk om de hen opgelegde taken uit te voeren. Dat is in de eerste plaats de burgers thuis de mond snoeren. Want het globalisme heeft een aantal kwalijke neveneffecten natuurlijk, in de eerste plaats het ‘multiculturalisme’. Mensen zien het sociale weefsel in hun buurt brutaal verstoord worden en uiten hun ongerustheid. Maar ondertussen heeft de regering zijn huiswerk al gemaakt en reeds hangen overal posters op die ons vertellen dat de ‘wereld één groot dorp is’ en ons wordt tot in den treure getoond hoe verschrikkelijk arm alle mensen zijn die niet in Europa wonen en dat het hardvochtig en kleingeestig is om hen niet te laten delen in de koek. Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding wordt opgericht en op elk publiek forum wordt geschermd met het woord racisme tot je ervan moet kotsen.
Tot zover Lorenz.
… Racisme dat ik trouwens nooit veel heb gezien in de straten waar ik werk, waar de sociaal kansarmen wonen die de uitwassen van het multiculturalisme in stilte moeten verduren.

Dat multiculturalisme op de duur leidt tot intolerantie is nogal wiedes, nogal terecht, besef ik nu.
Hier in Brussel heb ik ondertussen nog iets anders geleerd, iets dat het plaatje compleet maakt: de medeplichtigheid van de traditionele linkse partijen. Zij hebben zich op die immigrantenproblematiek gestort als een bende blinden. En nu is het zo ver gekomen, zoals Youssef van de garage in de Valkstraat onlangs zei, nu is het zo ver gekomen dat de socialisten, in de eerste plaats de Parti Socialiste, de niet-Belgen in alles tegemoetkomen, zelfs tegen alle rationele beleidsvoering in, om maar niet die stemmen te verliezen. Zo hebben de linksen zich domweg en nietsvermoedend voor de kar van het neo-liberaal kapitalisme laten spannen.
En zo zit de gewone Belg nu politiek gezien al jaren hopeloos in de tang, een tang waarvan de ene lip het globalistische neoliberalisme is en de andere de op allochtonen aangewezen linkse partijen. Penibele situatie.

Ik had afgesproken met Joanna in het Montgomery metrostation. Vandaar met tram 44 naar het Afrikamuseum in Tervuren.

Een prachtig vergeten beeldhouwwerk staat er naast de vijver tegenover de façade van het museum. Een neger die op een zelfgemaakte gitaar tokkelt. Er staat iets in Arabische letters op de onderkant van het beeld. Het is in slechte staat, de ogen zijn weg, een voet is afgehouwen (nee, het was niet de bedoeling van de kunstenaar).

In een van de museumgangen een fraai, statig omhoogrijzend beeld van de roverhoofdman, Leopold II. Als een Assyrische koning. Ik klop erop, het blijkt gips te zijn. Nee, maar, dat had toch een bronzen beeld moeten zijn, passend voor onze grootste koning. Ik zeg dat ik hem bewonder, dat hij heel hard heeft gewerkt om zijn land groot te maken.

‘Ja, zegt Joanna, maar hij had het toch niet zo moeten doen, als kolonialist, hij had ook kunnen proberen goed te doen.’

‘Waar wat je zegt, maar dat hebben de anderen ook niet gedaan. Hij was natuurlijk ook een kapitalist, al die koningshuizen trouwens; ik wil alleen maar zeggen: hij heeft hard geknokt voor zijn land, hij wilde er een groot land van maken binnen het waardestelsel weliswaar van de negentiende eeuw en hij is erin geslaagd. Hij heeft zijn deel gedaan. Dat is denk ik meer dan je van de meesten van ons kan zeggen. Ja, ik verfoei ook die imperialistische, desastreuze negentiende eeuw; de eeuw van de triomfantelijke Europese suprematie, maar ik wil maar zeggen, ik vind het weer zo typisch Belgisch dat ze hem nu als een monster verguizen terwijl koningin Victoria en Wilhelm de Kaiser en de Hollandse Oost-Indische Compagnie en de rest nog erger waren. Ga het maar na. Maar daar vallen de anderen nog altijd voor op hun knieën, blijkbaar. Trouwens het is niet Leopold die die handen afgehakt heeft, het is de Anglo-Belgian Rubber company. Anglo-Belgian, snap je?..’

‘Maar je moet toch toegeven dat hij erachter zat, hij wilde geld…’

‘Ja, ja, dat geef ik toe, het ging hem om het geld, het is allemaal één pot nat natuurlijk. Het is één pot nat…’

Je suis le souverain d’un petit pays et de petits gens…’

Lezend in de geschriften van Leopold II wordt men zich bewust van de diepte en omvang van het liberaal gedachtegoed. De bovenlaag van de maatschappij was gedrenkt, gepekeld in kapitalistisme. En de hele moraal, de ethiek ontwikkelde zich daaruit. De westerse mens moet streven naar economische groei, materiële rijkdom en technologische vooruitgang. De eerste doelstelling steunt volledig op onderlinge competitie. Bedrijven moeten competitief zijn. En dus zoeken ze steeds goedkopere arbeidskrachten en grondstoffen en bemachtigen ze steeds meer afzetgebieden. En dus was er een onstilbare honger naar land, alle onbezette stukken van de planeet werden, in een ware wedloop tussen de in afzonderlijke naties verenigde kapitalisten, gekoloniseerd. De geestelijkheid, ongelooflijk genoeg, volgde de kapitalist daarin. Om de kolonisatie goed te praten gebruikte men dezelfde drogredenen als tijdens de driehonderd jaar durende slavenhandel: de Afrikanen hadden geen nauwkeurig beeld van God en kenden noch de zoon van God, geboren uit de Onbevlekte Ontvangenis, noch alle andere heiligen maar aanbaden daarentegen allerlei onbelangrijke dingen zoals bomen, bergen, beekjes en dieren. Maar eens dat alle Afrikanen bekeerd waren, pakte dat argument niet meer.

Toen kwamen de wetenschappers met hun racistische leer op de proppen. Op basis van schedelmetingen en dergelijke bleek dat het negroïde ras minderwaardig was.

Er was ook het begrip ‘beschaving’. Beschaving was de geijkte waardeschaal om volkeren en rassen te beoordelen en werd gemeten aan de hand van materiële welvaart.

De negentiende eeuw heeft daadwerkelijk de basis gelegd van onze moderne maatschappij. Niet de door het liberalisme steeds naar voren geschoven Verlichting. Niet de ‘oude Grieken’. Ik denk dat Rousseau of Aristoteles hier rare ogen getrokken zouden hebben.

Overal hebben we de geschrokken, verbouwereerde ‘wilden’ opgejaagd. Hen vanachter onze façades toegesproken met donderpreken en wetenschappelijk jargon. En zie, nu, honderd jaar later, ‘ontwikkeld’ en doodarm, keren ze zich als één grote massa tegen ons en landen, dwars door die façade heen, in onze wereld. En wat vinden ze, al die uitgehongerde, woedende illegalen?… De ‘westerse beschaving’ at first hand. In vlees en bloed.

Wie zijn de mensen die hen ooit hebben samengedreven in kampen, fabrieken en plantages, en hen tot minderwaardigen, tot slaven, tot achterlijken, ongelukkigen hebben gestigmatiseerd?…Het zijn wij, de beschaamde erfgenamen van een desastreuze, valse beschaving. Een ontgoocheling die pijn doet, staat op hun gezicht te lezen, een ontgoocheling die snel plaatsmaakt voor minachting. Dan wordt kordaat het gevecht aangevat: de allochtone magere slaven tegen de autochtone vette slaven.

Ja, waarlijk, de negentiende eeuw was het tijdperk van de triomfantelijke westerse beschaving. Leopold II was een van de grote mannen van die tijd. Liberaal tot in het merg, maar waren dat niet alle koningshuizen? Racistisch? Niet meer dan de gemiddelde bourgeois in zijn stad. Hoe meer ‘ontwikkeld’ men was, hoe racistischer. Want wie gelooft in ontwikkeling, gelooft logischerwijze ook in achterlijkheid.

Onthutsende, nee, choquerende voorbeelden hiervan vindt men bij de ‘moderne wetenschappers’ van de late negentiende eeuw, de antropologen, sociologen, psychologen en de rest. Ik vind die boeken bij de vleet op de vlooienmarkt voor een euro het stuk. Er staat een overvloed aan afbeeldingen in van Eskimo’s, Hottentotten, Bantoes, Australiërs en Indianen met verklarende teksten die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. In het Frans, het Duits en het Engels.

Uit de zeer geleerde artikels in het wetenschappelijke tijdschrift van de Société d’anthropologie de Bruxelles van professor Eduard Dupont, Houzé, Jacques et al. verneemt men weinig verheffende zaken, en dit op basis van wetenschappelijke metingen van schedels en andere imbeciele methodes, over de evolutionaire status van ‘kaffers, negers, roodhuiden en Eskimo’s. En zelfs Vlamingen! De geleerde heer Houzé namelijk maakte in voornoemd tijdschrift in 1884 melding van zijn ontdekking dat het Vlaamse gepeupel ‘in feite quartaire mensen zijn, ontheemd te midden van onze moderne maatschappij. Het zijn een soort intellectuele fossielen die gedoemd zijn om uit te sterven.’ Einde citaat.

Over de neger was de Europese wetenschappelijke wereld het alleszins roerend eens: ‘Zij vormden een schakel tussen de orang-oetang en de superieure blanke mens.’

Zeker en vast was Leopold een racist, maar het is een beetje hypocriet om hem daarbij als monsterachtig unicum op te voeren. De hele intellectuele en de hele bezittende klasse van België, Duitsland, Nederland, Engeland, Oostenrijk, Spanje en Frankrijk was gedrenkt in de wetenschappelijke overtuiging dat andere rassen minderwaardig waren. Inferieur. Met beestachtige trekken. Beklagenswaardig in feite en gedoemd om uit te sterven…

Dit uittreksel is geplaatst als reactie op http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2018/01/29/tijd-om-ons-collectief-geheugen-te-dekoloniseren#

Samen met Gino heb ik in het Noordstation een klein experiment uitgevoerd. Gino zal zelf niet snel over de maatschappij beginnen, maar als ik het doe, is hij het altijd roerend met me eens en voor een experiment is hij steeds te vinden. We vonden ergens een stapeltje formulieren van een of andere firma. Gewapend met elk een stapeltje en een pen hielden we mensen staande (we waren in burger) en vroegen hun heel ernstig en beleefd of ze tijd hadden voor een kleine enquête.

We stelden slechts één vraag, namelijk:

Wat is er volgens u het belangrijkste, de economie of de mens?

Van de dertig mensen, allemaal mannen, waarom weet ik niet meer, antwoordden er negen onmiddellijk: ‘de mens natuurlijk!’

De meesten moesten over deze simpele vraag een tijdje goed nadenken vooraleer ze antwoordden dat eigenlijk de mens toch wel belangrijker was.

En niet minder dan zeven meenden heel oprecht: ‘de economie is belangrijker’. Ze keken daarbij erg sip… ‘Ja, ’t is nu eenmaal zo …’

Eentje zei er: ‘Wat wilt ge, er moet brood op de plank komen, hé’

‘Jamaar, riep Gino opgewonden, ik zei wel, de economie of de mens!’

‘Jaja, ik heb het wel gehoord, de mens. Zonder de economie is er geen eten, zo simpel!’

… Maar wat heb ik hier ontdekt? Dat moed een sociaal iets is. Als je in een groep bent, krijg je meer moed. Als je in groepsverband opereert, ben je veel dapperder. Kijk maar naar de Marokkanen. Die jongens lopen altijd in groepjes van vier of zes. Uiteindelijk is zelfs alleen het gevoel al, het groepsgevoel op zich, de teamgeest belangrijk. Alleen op patrouille of de wijk in, maar op ’t commissariaat zitten collega’s met wie ik een echt team vorm. Dat geeft mij moed, dat maakt waarlijk al het verschil, ook al ben ik op dat moment alleen. Het is niet alleen het feit dat anderen ter hulp zullen snellen als je in de problemen geraakt, het is iets anders: de magie van de groepsgeest – een soort van sociale drug. Tijdens de opleiding liepen we als klas in groep tweemaal per week een aantal kilometer, geleidelijk aan steeds grotere afstanden en een Marokkaanse Belg die nog bij de para’s geweest was, begon een simpel lied te scanderen tijdens het lopen dat door ons allen werd overgenomen. Ik herinner me alleen nog de twee woorden, ‘Mighty Belgium’. Uiteindelijk zong de hele groep uit volle borst. Simpel maar zeer doeltreffend. Je wordt je bewust van de groep waar je deel van uitmaakt en waar je zonder aarzeling aan gaat gehoorzamen. Als ieder dat doet, wordt de groep op hetzelfde ogenblik ijzersterk en dat voel je gewoon in de blik van de anderen, in de samenzang van al die stemmen en het maakt elk van ons op zijn beurt weer sterker, dapperder en dat versterkt dan weer de groep en zo ontvouwt zich spontaan een sociaal mechanisme dat elk groepslid naar een optimum van kracht en vastberadenheid leidt…

(In categorie ‘Beelden’ kan je het lied: Mighty Belgium beluisteren)

‘… Maar gelooft u nu echt dat God bestaat, mijnheer Lorenz?’

Mijn broer boog zich naar haar toe met een glimlach en antwoordde kalm: ‘Ik geloof in God’. Ik wist wat zou komen.

‘Maar God bestaat niet… Komaan, we leven tenslotte in de eenentwintigste eeuw.’

‘’Ik geloof’ betekent niet overtuigd zijn van het bestaan, maar wel ‘vertrouwen in’, ‘zich schenken aan’.’

Hetzelfde had hij ook tegen mij gezegd toen we avonden vulden met discussies over God en zulke dingen. Weer maakte hij de vergelijking met de vader en de zoon die zich op een examen voorbereidt, ‘…bijvoorbeeld een examen wiskunde en de vader weet heel goed dat de zoon geen kei is in wiskunde, maar hij zal zeggen tegen de zoon: ‘ik geloof in jou’ en tegen de moeder zal hij zeggen: ‘ik geloof in hem, ik weet dat hij zal slagen. Zo moeten we ook geloven in God.’

‘… Dat zijn allemaal de verkeerde vragen gesteld door halve mensen, mensen die maar één helft van hun hersenen gebruiken, snap je?’

‘Nee’, antwoordde Joanna vastberaden. En Lorenz ging even vastberaden verder: ‘halve mensen zijn mensen die alleen rationeel en nooit spiritueel denken. Omdat ze dat zo in onze westerse scholen geleerd hebben; omdat onze kinderen op school gedrild worden om alles wat niet rationeel is te beschouwen als fout, als ballast, bijgeloof, nutteloze fantasie zoals godsdienst, primitieve culturen, mystiek, de geestenwereld, traditionele rituelen, zelfs moraal. Alleen meten is weten, full stop. En zodoende zijn uit die geamputeerde kinderen de westerse halfmensen gegroeid. Halfmensen zijn zeer nuttig voor de economie. Het zijn zeer efficiënte en voorspelbare wezens. Maar het is niet voor niets dat onze hersenen het vermogen hebben tot spiritualiteit. Dat beginnen we stilaan in te zien, want onze wereld, onze rationele, moderne maatschappij is totaal stuurloos geworden, is het niet? Blijkbaar zijn we bezig onszelf te vernietigen.’

Brief van Lorenz uit Wamba: “Ik hou helemaal niet van die delegaties van de Europese Unie. Heel typisch vind ik die wereldkaart die in elke delegatie hing waar ik ooit kwam en die ze verdorie nog altijd ophangen, ook hier in Wamba. De landen op die kaart zijn in twee kleuren verdeeld: de rode en de blauwe. De rijke landen zijn de blauwe: Europa en de USA. De rode zijn de arme landen: al de rest. Het geheel is nog opgesmukt met een paar statistische parameters, bijvoorbeeld hoe veel kans je maakt om ouder dan veertig te worden of hoe veel kans je kinderen maken om te leren schrijven en lezen.

Zodat ieder die daar binnenkomt direct kan zien hoe de zaken gesteld zijn. Voor de functionarissen die er elke dag passeren is het ongetwijfeld een hele opsteker te weten dat zij bij de gelukkigen behoren. De lokale mensen, de zogenaamde ‘staf’ die kunnen het in hun zak steken. Daar hangt het duidelijk tegen de muur in felle kleuren: zij zijn statistisch significant gedoemd om minderwaardig te zijn, minderwaardig, let wel, in de ogen van degenen die dat soort imbeciele kaarten nog altijd maken.

En wees er verdomd zeker van, op die kaarten verandert niets. Zelfs niet na nog eens dertig jaar ontwikkelingshulp: rood blijft rood en blauw blijft blauw. Jij zult dat stom vinden, maar toen er niemand was, heb ik die kaart vervangen door een poster van Bob Marley, gekocht op de markt. Vraag maar aan Jean-Pierre als we terug zijn.”

 

De reactie van Eva en Smarre was: ‘dat hij dan maar woord houdt dit keer en voorgoed stopt met die consultaties. Zolang hij zelf meedoet, heeft hij geen recht om te protesteren’.