Uittreksels uit de dagboeken

Brief van Lorenz uit Wamba: “Ik hou helemaal niet van die delegaties van de Europese Unie. Heel typisch vind ik die wereldkaart die in elke delegatie hing waar ik ooit kwam en die ze verdorie nog altijd ophangen, ook hier in Wamba. De landen op die kaart zijn in twee kleuren verdeeld: de rode en de blauwe. De rijke landen zijn de blauwe: Europa en de USA. De rode zijn de arme landen: al de rest. Het geheel is nog opgesmukt met een paar statistische parameters, bijvoorbeeld hoe veel kans je maakt om ouder dan veertig te worden of hoe veel kans je kinderen maken om te leren schrijven en lezen.

Zodat ieder die daar binnenkomt direct kan zien hoe de zaken gesteld zijn. Voor de functionarissen die er elke dag passeren is het ongetwijfeld een hele opsteker te weten dat zij bij de gelukkigen behoren. De lokale mensen, de zogenaamde ‘staf’ die kunnen het in hun zak steken. Daar hangt het duidelijk tegen de muur in felle kleuren: zij zijn statistisch significant gedoemd om minderwaardig te zijn, minderwaardig, let wel, in de ogen van degenen die dat soort imbeciele kaarten nog altijd maken.

En wees er verdomd zeker van, op die kaarten verandert niets. Zelfs niet na nog eens dertig jaar ontwikkelingshulp: rood blijft rood en blauw blijft blauw. Jij zult dat stom vinden, maar toen er niemand was, heb ik die kaart vervangen door een poster van Bob Marley, gekocht op de markt. Vraag maar aan Jean-Pierre als we terug zijn.”

 

De reactie van Eva en Smarre was: ‘dat hij dan maar woord houdt dit keer en voorgoed stopt met die consultaties. Zolang hij zelf meedoet, heeft hij geen recht om te protesteren’.

“De meest akelige website die ik ooit tegenkwam, is die van ‘Het Centrum voor Gelijke Kansen’. De eerste keer dat ik me zorgen begon te maken was toen dit centrum een Aramese priester uit Charleroi voor de rechtbank daagde wegens ‘het aanzetten tot rassenhaat’ omdat hij het waagde openlijk te waarschuwen voor het groeiende gevaar van de islam in Europa. Hij haalde citaten uit de Koran aan die aantonen dat dit heilige boek aanzet tot extreem geweld tegen zogenaamde ‘ongelovigen’. Ze wilden hem muilkorven, maar hij liet zich niet muilkorven en werd door de rechtbank vrijgesproken. Hij staat bekend als Père Samuel. Het Centrum voor Gelijke Kansen doet denken aan de inquisitie. Luguber gemanipuleer van de sociale moraal met de bedoeling mensen angst aan te jagen. Ze herdefiniëren onder andere de term racisme. Voor zover ik weet is racisme de opvatting dat rassen moreel minder- of meerderwaardig zouden zijn ten opzichte van elkaar zodat je verschillende morele maatstaven mag gebruiken naargelang van het ras. Maar die van dat centrum hebben over racisme een omschrijving van drie bladzijden gemaakt die in zulke mate is opgesteld dat je het waarlijk benauwd krijgt, als je het leest. Het enige dat nog mag, is multiculturaliteit ontvangen zonder kritiek, zonder enige bezorgdheid over de consequenties die dat voor je eigen gemeenschap misschien zou kunnen hebben, ja, als je dat doet, dan ben je geen racist, dan ben je een gebrainwashte volgzame idioot.

Ik vraag me af wie er daar achter de schermen van dat centrum werkt.

Wie racisme wil zien, moet kijken naar de daden van de imperialistische en koloniale kapitalisten van de voorbije eeuwen, om over de slavenhandel maar te zwijgen. Er is bij ons ook nu nog dat halfzachte, maar taaie racisme tegenover de ‘zwarte’. Het racisme van de nonkel uit Congo. Het is dom. Geleidelijk aan groeit het er wel uit.”

“Het is mijn derde week als politie-inspecteur, alles is nieuw en ingewikkeld. Ik zit niet graag achter het stuur, maar Aischa moet blijkbaar haar rijbewijs nog laten valideren voor ze met een patrouillewagen mag rijden. Ik ben te verstrooid en het begint me al snel te vervelen. De jonge snaken zijn er dol op met een patrouillewagen door de stad te cruisen. Daar is op zich natuurlijk niets mis mee.
‘Is het geen tijd voor een broodje?’ vraagt Aischa. Ik parkeer op haar aanwijzingen de auto op een rustig pleintje achter het justitiepaleis.
Aischa ziet het wel zitten met mij patrouille te doen. Liever dan met die jonge haantjes, beweert ze. Met mijn vijfendertig jaar ben ik al wat ouder dan de meeste nieuwelingen en dat waardeert ze erg. Ineens begint ze over de maatschappij. Ze heeft het over de Marokkaanse jeugd in Brussel, Anderlecht, Molenbeek. Ze windt zich echt op. ‘Je kan niet geloven wat daar gebeurt. Jullie weten van niets, wij wel. Ze worden allemaal gebrainwasht die jongeren, door de imams. Ik kan er wel tien opnoemen! Het is allemaal crapuul. Crapuul! Ze moesten ze…En de politiekers doen niets; ze steken hun kop in het zand. Ik ga op het Vlaams Blok stemmen, je te jure, dat zijn de enigen die hun ogen open hebben blijkbaar…et nous sommes des mères et des pères de famille et nous voyons que la société tourne mal et nous ne pouvons rien faire.”
Een hele woordenstroom van opgekropte verontwaardiging die plots uit haar stroomt. “Mon fils a six ans et j’ai peur pour lui…”