U 10 (blz 119-121) Het wipprincipe van Lorenz

Met zijn drieën lopen we door de donkere stad te voet van het Flageyplein naar de Porte de Namur. We stappen met dichtgeknoopte jas door de lange, steile straten van Elsene.

Er is niet veel te zien onderweg, wat nachtwinkels en hier en daar een gezellig ogende herberg. Telkens als we langs zo ’n etablissement komen, stelt Lorenz voor halt te houden om daar iets te nuttigen. Het is een heel eind stappen, we beklimmen een heuvel. Maar Smarre glimlacht slechts en geeft opgewekt te kennen dat ze niet de minste aandrang voelt aan dergelijke gemakzucht toe te geven. Het was een typische situatie. Lorenz, die wil toegeven aan een verzoeking en Smarre, die integendeel resoluut de andere weg inslaat, die van de discipline. Leve de gezonde wandeling in de frisse herfstlucht. Lorenz bromt onwillig en strompelt machinaal verder. Hij verzinkt in diepe gedachten. Niet lang daarna slaakt hij een kreet. Ik kijk rond of er weer ergens een café opduikt maar dat is het niet…

‘Ik ben er eindelijk achter gekomen wat de drijfveer is van Smarres flinke en voorbeeldige gedrag’, roept hij uit. ‘Waarom is ze de ene keer zo kloek en de andere keer dan weer zo psychologisch behoeftig?’

Het was een retorische vraag.

‘Ik begreep plots dat er in onze verhouding een soort van dichotone dynamiek schuilt. Als ik down ben, zal zij up zijn, in het voortouw staan, geneigd zijn uitdagingen aan te nemen, kortom, ze beleeft een glorieuze tijd en dit net zolang als ik zelf tekortschiet en alles zwart zie. En hoe meer ik aan deze zwakte toegeef, hoe meer ik ersatzbevrediging zoek in alcohol en zoetigheden, hoe meer zij die weerstaat. Alsof ze kracht put uit mijn zwakte. En hoe meer blijk ze geeft van een ijzeren wilskracht, hoe zwartgalliger ik voor me uit staar. Hoe dringender haar aanmaningen zijn om mezelf ‘bijeen te pakken’ en ‘niet te laten gaan’, hoe onvermijdelijker ik wegzink in lethargie. Dit kan dagen duren. Ze neuriet, eet gezond, snelt van de ene huishoudelijke taak naar de andere terwijl ik als een slak van de zitbank naar het bed kruip. Tot ik eindelijk het licht weer zie schijnen en haar op een morgen een klinkende zoen geef, bruisend van levenslust. Dan verandert de emotionele tuimelaar van positie. Nu zit ik boven en dus zakt zij naar beneden: ze krijgt haar eerste huilbui, dan volgen driftbuien waarbij me allerlei euvels voor de voeten geworpen worden. De rollen zijn nu omgekeerd. De fles wijn, de koekjes verschijnen al snel op tafel. Ze verwijt me dat ik haar verwaarloos.

Verwonderd zie ik hoe het niveau in de fles gestaag daalt. Ikzelf hou het liever bij water, dat is gezonder. Ik vraag haar vriendelijk haar drankzucht in toom te houden, het is immers slecht voor de hersenen en de gewrichten, zoals iedereen weet. En ondertussen voel ik me hoe langer hoe prettiger’…

Terwijl we verder klommen, richting Kleine Ring, becommentarieerden we dit nieuwe inzicht. Smarre beaamde onmiddellijk Lorenz’ interpretatie van die gemoedsschommelingen. Maar wat Lorenz vertelde, klonk mezelf ook niet vreemd in de oren.

‘Dus, hernam Lorenz enthousiast, wat er daarnet gebeurde, even voor het Ferdinand Coxplein, namelijk dat ik een café wilde binnengaan en dat jij als reactie voor de ‘gezonde wandeling’ koos, dat was het gevolg van hetzelfde principe. Mijn zwakheid maakte jou extra sterk.’

‘Ik moet toegeven dat je precies gelijk hebt’, antwoordde Smarre, zachtjes glimlachend.

‘En gebeurt dat niet de hele tijd, ging Lorenz verder, lijkt die emotionele wisselwerking niet een typisch, steeds terugkerend principe in een relatie, of tenminste toch in de onze?’

‘Zeker en vast is me dat ook opgevallen’, beaamde Smarre grootmoedig, ‘het is zoals je zegt.’

‘Ik noem het, besloot Lorenz lichtjes hijgend, want we waren nu helemaal boven…ik noem dat het wipprincipe. Als de ene boven zit, zit de andere beneden.’

We stonden aan de Naamse Poort en keken uit over de koude door neonlampen verlichte boulevard. Aan de andere kant daal je langs de Naamse Straat af naar het Koningsplein en verder tot in het hart van deze heuvelige stad. Behalve ons waren er geen voetgangers te bekennen.

‘We lijken net een koppel ganzen dat is neergestreken op een winterse weide’, zei Smarre.

1 reactie on "U 10 (blz 119-121) Het wipprincipe van Lorenz"

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *