U 11 (blz 203, 204) De oervorm van het fascisme… misschien??

Wij, INP Zuiverloon, genoten ooit het voorrecht bevriend te zijn met een Maasai die Mozes heette. Zijn ‘manyatta’ stond in de Loitaheuvels in Kenia, niet ver van de grens met Tanzania. Ze staat er wellicht nog altijd, diep in het Maasailand waar geen wegen zijn en tal van wilde dieren ronddolen. Wij werden altijd hartelijk ontvangen door de gemeenschap. Op een keer voelden wij dat er een geheel andere wind waaide. De ‘moran’ bekeken ons wantrouwig. Ze praatten onder elkaar met hun rug naar ons toe. Hun gesprekken hadden iets blaffends, ze knelden de speren in hun vuisten zodat er een dreiging van uitging. Wij hoorden van Mozes dat de Loita-Maasai een geschil over grond hadden met de Kikuyu. De regering had plannen om grote tarwevelden aan te leggen in het Maasaigebied waar nu impala’s en zebra’s graasden. Tarwe bracht immers veel meer op en de Kikuyu stonden al klaar om het wilde land in cultuur te brengen. Maar de Maasai graasden er al sinds eeuwen hun vee en jaagden er op leeuwen en ze vonden dat het land hun toebehoorde. Er waren een paar dagen geleden een paar doden gevallen bij een eerste schermutseling. Vandaar, verklaarde Mozes, dat zijn vrienden zich plots anders gedroegen tegenover vreemden. ‘Blanken heulen immers met de regering!’

De ouderen die anders in een zalig dolce far niente onder hun boom zaten te keuvelen en door de anderen met eerbied en genegenheid werden behandeld en naar wier advies iedereen vol respect luisterde, zagen er nu heel wat minder zelfzeker uit. Ze hielden zich gedeisd, ze leken weinig op hun gemak in de nabijheid van de jonge krijgers. De vrouwen troostten ons door te zeggen: ‘Maak je niet druk, het waait wel weer over.’ Maar ook zij hadden niets meer in de pap te brokken. Het waren duidelijk de krijgers die nu de plak zwaaiden. Tegen het einde van de dag, nadat het vee in lange slierten naar de kralen was teruggebracht, ontstonden er spontane dansgroepen. Wij merkten hoe het volk zich rond één persoon schaarde, een soort leider. De jonge mannen zweepten zichzelf op. Ze riepen woest naar elkaar. Ze werden agressief, oorlogszuchtig. Ik kon duidelijk gewaarworden hoe op dit ogenblik alles in de gemeenschap moest wijken voor dit ene: de krachten bundelen rond een leider om de aanvallers het hoofd te kunnen bieden. Elk lid van de gemeenschap moest kiezen: of hij sloot zich aan bij deze groep of hij werd met achterdocht bekeken.

Toen we een paar maanden later terugkeerden, was alles weer als vanouds. De regering had haar claim op het Maasailand voorlopig opgeborgen. De ouderen dronken weer honigbier onder de boom, de krijgers drentelden weer goedgemutst samen met ons tussen de hutten en de kraals.

Toen drong het plots tot ons door dat wat wij tijdens ons vorig bezoek te zien hadden gekregen, een vorm van fascisme was: de leider, wantrouwen tegenover vreemdelingen, individuele vrijheid opofferen aan de groep, militarisme enzovoort.

Blijkbaar is een maatschappij geen immobiel systeem, maar een dynamisch organisme dat onderhevig is aan gedaantewisselingen. Een natuurlijke gemeenschap kan van een vorm van staatsbestel overgaan in een andere vorm naargelang de uitwendige omstandigheden dit vereisen. Als er vrede is, heerst er democratie en komt het aan de ouderen toe om te regeren; dreigt er gevaar, dan nemen de krijgers over! In het eerste geval is de gemeenschap gefragmenteerd en tolerant; in het tweede geval vormt ze één blok en is ze wantrouwig tegenover alles wat vreemd is. (zie mooie foto onder Beelden)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *