U.1 Een Belgisch Marokkaanse collega in 2006 over de radicalisering in Brussel

“Het is mijn derde week als politie-inspecteur, alles is nieuw en ingewikkeld. Ik zit niet graag achter het stuur, maar Aischa moet blijkbaar haar rijbewijs nog laten valideren voor ze met een patrouillewagen mag rijden. Ik ben te verstrooid en het begint me al snel te vervelen. De jonge snaken zijn er dol op met een patrouillewagen door de stad te cruisen. Daar is op zich natuurlijk niets mis mee.
‘Is het geen tijd voor een broodje?’ vraagt Aischa. Ik parkeer op haar aanwijzingen de auto op een rustig pleintje achter het justitiepaleis.
Aischa ziet het wel zitten met mij patrouille te doen. Liever dan met die jonge haantjes, beweert ze. Met mijn vijfendertig jaar ben ik al wat ouder dan de meeste nieuwelingen en dat waardeert ze erg. Ineens begint ze over de maatschappij. Ze heeft het over de Marokkaanse jeugd in Brussel, Anderlecht, Molenbeek. Ze windt zich echt op. ‘Je kan niet geloven wat daar gebeurt. Jullie weten van niets, wij wel. Ze worden allemaal gebrainwasht die jongeren, door de imams. Ik kan er wel tien opnoemen! Het is allemaal crapuul. Crapuul! Ze moesten ze…En de politiekers doen niets; ze steken hun kop in het zand. Ik ga op het Vlaams Blok stemmen, je te jure, dat zijn de enigen die hun ogen open hebben blijkbaar…et nous sommes des mères et des pères de famille et nous voyons que la société tourne mal et nous ne pouvons rien faire.”
Een hele woordenstroom van opgekropte verontwaardiging die plots uit haar stroomt. “Mon fils a six ans et j’ai peur pour lui…”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *